Na negen jaar steggelen, onderhandelen, nadenken, twijfelen en terugtrekken is er dan eindelijk een pensioenakkoord tussen de regering, de grootste vakbonden en de vereniging van grote werkgevers. Ook al zijn het nog slechts intenties, de richting is goed, vinden wij van AVV. 

Immers, eindelijk wordt recht gedaan aan wat pensioensparen economisch gezien is: niet een harde toezegging over een maandelijkse uitkering, maar een voornemen om je zo goed als dat kan een pensioen te geven. Dat klinkt als een verslechtering ten opzichte van de beloften die op papier staan, maar het is al jaren de economische realiteit. 

Een andere verbetering, meteen de grootste van dit akkoord, is de afschaffing van de zogeheten doorsneesystematiek. Dat is de subsidiering van jonge deelnemers aan een fonds aan de oudere deelnemers. Daar pleit AVV al sinds 2007 voor. In dit artikel schreven we destijds waarom subsidiering van jong naar oud een verkeerde vorm van solidariteit was, terwijl verschillende andere vormen van solidariteit juist behouden moesten worden. We werden destijds verguisd door de polder, nu vinden alle vakbonden, werkgevers en de meeste politici het beter voor de houdbaarheid van het pensioenstelsel. Overigens had de doorsneesystematiek al decennia geleden uit het pensioenstelsel gehaald moeten worden, bijvoorbeeld toen de dekkingsgraden huizenhoog waren. Toen had dat makkelijk gekund en was er ook in de meeste fondsen ruimte voor compensatie aan de generatie 45-plussers.

Langzamere stijging AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd blijft stijgen (en dus niet vastgezet op 65 of 66 zoals de PVV en SP eisen), maar de stijging wordt wel trager. Beide punten zijn goed. Immers, de AOW-leeftijd vastzetten kan echt niet, we worden met zijn allen ouder en ook gezond ouder. Bovendien zouden we bij gelijkblijvende AOW-leeftijd onze kinderen en kleinkinderen met gigantische lasten opzadelen. Ook is het goed dat de stijging van de AOW-leeftijd niet meer één-op-één gekoppeld is aan de stijging van de levensverwachting, maar meer in de buurt komt van de stijging van de gezonde levensverwachting. Dat brengt ook een klein beetje balans terug in het pensioenstelsel.

Tot nu toe zijn de lusten en lasten van het pensioenstelsel erg scheef verdeeld over de generaties. Een van de oorzaken daarvan was dat de AOW-leeftijd tot 2013 vast stond op 65 (waardoor elk jaar hogere levensverwachting een extra jaar AOW opleverde), terwijl die vanaf 2023 gekoppeld zou worden aan de levensverwachting (waardoor elk jaar hogere levensverwachting een jaar langer doorwerken betekent). Deze erg scheve verdeling is nu een beetje minder extreem gemaakt, die richting is dus goed.

Wel weer scheef is dat de AOW-leeftijd de komende drie jaar wordt bevroren. Dit maakt de verdeling van lusten en lasten weer wat schever: degenen vlak voor hun pensioen worden optimaal uit de wind gehouden.

Eerder stoppen met werken: maatwerk
Het is ook een goed idee om het per sector mogelijk te maken om eerder te stoppen met werken. Sommige mensen kunnen echt niet meer, en daar wil je maatwerk voor leveren. Zoals de plannen er nu uitzien lijkt daar fiscale ondersteuning voor te komen, althans de komende vijf jaar. Op lange termijn is het sowieso verstandig om te zorgen dat mensen tijdig omgeschoold worden bij lichamelijk zwaar werk.

Verplichte verzekering zzp'ers
Een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp'ers lijkt niet bij een pensioenakkoord te passen, maar toch is het goed dat van deze gelegenheid gebruik wordt gemaakt om het toch te regelen. Sinds het afschaffen van de vermaledijde WAZ in 2004 - dat was toen een slecht vormgegeven verzekering voor zzp'ers - zijn zelfstandigen overgeleverd aan de markt. En zoals we inmiddels weten werkt de markt alleen voor jam en broodjes, voor alle andere producten die wat ingewikkelder zijn - en al helemaal financiële producten - werkt de markt alleen voor monopolies en miljardairs.

Het is nu zo dat je je niet kan verzekeren als je ooit wat aan je knie had gehad, als je ouder dan 45 was, als je bouwvakker was, als er in je familie een erfelijke ziekte voorkomt. Opdrachtgevers maken ook gebruik van de situatie, omdat zzp’ers die zich niet verzekeren die kosten ook niet in rekening brengen. Zzp’er zijn zo veel goedkoper dan werknemers, die wel verplicht zijn verzekerd.

Ondertussen raken zzp'ers die van de fiets vallen, Multiple Sclerose hebben, een hersenbloeding of kanker aan de bedelstaf. Dat is een klein aantal zzp'ers, en dat is precies de reden waarom een verzekering waaraan iedereen weer meedoet goedkoper kan zijn. Voor die paar pechgevallen hoeven de gezonde zzp’ers geen hoge premie te betalen, mits iedereen meedoet.

Hoe deze verzekering vorm gaat krijgen is nog niet precies bekend, waarschijnlijk zal het om een publieke basisverzekering zijn die ervoor zorgt dat je niet door de bodem zakt. Dat lijkt ons ook de beste oplossing. Daarbovenop kan dan privaat meer inkomen worden verzekerd. Ook zal waarschijnlijk rekening worden gehouden met zzp'ers die parttime werken en zzp'ers die aan een broodfonds deelnemen. Zelfstandigenorganisaties gaan meedenken met de uitwerken. Het loont dus weer om lid te worden van een zelfstandigenorganisatie. Of van AVV, wij zullen het kabinet ook van advies voorzien.

Een nog betere oplossing is om arbeidsongeschiktheid niet apart voor zzp’ers te regelen, maar uniform voor alle werkenden. Dat sluit namelijk het beste aan op de arbeidsmarkt, waar veel mensen dan weer als zzp-er en dan weer als werknemer werkzaam zijn, of gewoon tegelijkertijd in beide hoedanigheden. Een nieuwe verplichte verzekering kan als een opstap voor zo’n nieuw stelsel dienen.

In detail: het pensioendeel van het pensioenakkoord
Het onderdeel pensioen van het pensioenakkoord komt er bekaaid af, terwijl dit toch de belangrijkste reden was voor de onderhandelingen. Het afschaffen van de doorsneesystematiek is goed, dat hebben we boven al besproken, maar wel decennia te laat. Voor de rest valt de hervorming van het pensioenstelsel nogal tegen.

Om te beginnen komt er niet één eenduidige pensioenregeling, maar worden er twee varianten toegestaan. De eerste variant is een moderne, transparante variant met persoonlijke potjes, delen van de essentiele risico's en leeftijdsonafhankelijke premie. De tweede variant komt van de SER, die veel van de complexiteit van het huidige systeem behoudt, maar wel de leeftijdsonafhankelijke premie heeft. Het toelaten van die complexe SER-variant vinden wij niet goed. De meerwaarde ervan is nagenoeg nul, terwijl deze variant veel van de kenmerken heeft die het huidige stelsel onhoudbaar, onuitlegbaar, duur en oneerlijk maken.

Alleen de werknemers in sectoren waar overgestapt wordt op de eerste variant, de moderne pensioenregeling, hebben baat bij deze hervorming. In de sectoren waar AVV aan de pensioentafel zit, zullen wij ons inzetten om deze hervorming door te voeren. Heel jonge werknemers hebben dan optimaal baat bij dit akkoord, omdat zij niet meer aan het huidige pensioenstelsel hoeven deel te nemen.

Het is nu niet duidelijk hoe dit akkoord gaat uitpakken voor de diverse generaties. Uitgangspunt is snelle uitdelen en sneller korten: boven de 100% dekkingsgraad direct indexeren en onder de 100% ‘direct’ korten. Die kortingen mogen dan wel weer over 10 jaar uitgesmeerd worden.

De eerste berekeningen geven aan dat gepensioneerden optimaal profiteren: er hoeft straks niet gekort te worden onder een dekkingsgraad van 104%, zoals nu, maar pas als de dekkingsgraad onder de 100% staat. Gepensioneerden profiteren hiervan, werknemers zien alleen dat de bedragen die op hun UPO staan een beetje op en neer gaan. In de woorden van het Centraal Planbureau: 

Bij dekkingsgraden boven de 100% wordt dan eerder geïndexeerd. Dit leidt tot meer indexatie voor huidige deelnemers, wat te zien is aan de positieve effecten voor gepensioneerden. Op lange termijn leidt dit tot lagere buffervorming en daarmee tot minder indexatieperspectief. Gecombineerd met het afschaffen van de doorsneesystematiek worden cohorten die geboren zijn rond het jaar 1980, het meest geraakt. Doordat eerder wordt geïndexeerd, profiteren toekomstige generaties minder. (CPB NOTITIE– Effecten van de overgang op nieuwe pensioenregels, 5 juni 2019, p. 5.)

In feite zijn de noodzakelijke kortingen al uitgesteld sinds de start van de financiële crisis in 2008, door elk jaar weer de regels aan te passen om gepensioneerden uit de wind te houden. Het gevaar dat dit weer gaat gebeuren blijft groot en kan alleen voorkomen worden door de eerste variant toe te passen.

Met het toelaten van de SER-variant heeft het kabinet een eerder uitgangspunt losgelaten, namelijk het uitgangspunt dat nieuwe toetreders tot een pensioenregeling niet mee moeten betalen aan reeds bestaande tekorten. Nieuwe toetreders gaan nu wel meebetalen aan tekorten, althans als ze werken in een sector waar het pensioenfonds niet op de moderne individuele potjes is overgestapt.

Wel duidelijk is dat de generatie tussen ca 35 en 55 er op papier het meest op achteruit gaat. Dat blijkt onder meer uit de reeds genoemde publicatie van het CPB en uit de aanvullende berekeningen van de pensioenfederatie. In alle gevallen blijkt dat deze generaties er veel tot zeer veel op achteruit gaan in slecht weer scenario’s. Zij houden dan maar ca 40% over van de verwachtingen in ‘standaard’ situaties, dat wil zeggen de situaties waarin de economie zich ontwikkelt volgens de stadaard aannames. Overigens is dat in het huidige contract ook al zo. Een zwaktebod is de onduidelijkheid of en zo ja, hoe deze generaties compensatie mogen verwachten.

Kostendekkende premies in een voetnoot
Een opmerkelijk onderdeel van het pensioenakkoord is dat voortaan kostendekkende premies moeten worden geheven, een premiedekkingsgraad van 100% dus. Minister Koolmees gaat ervan uit dat er gedurende de transitieperiode (waarvan de duur niet vermeld wordt) ca €1 miljard aan extra jaarlijkse premie binnenkomt, op een jaarlijkse premie van ca €30 miljard, dus een verhoging van ongeveer 3% gemiddeld.

Fondsen die er erg slecht voorstaan zoals als Zorg en Welzijn (premiedekkingsgraad 89%), ABP (premiedekkingsgraad 78%), PME (premiedekkingsgraad 81%) en PMT (premiedekkingsgraad  81%) zijn er daarmee nog niet. Zij zullen naar alle waarschijnlijkheid  de premies meer moeten verhogen of de opbouw moeten verlagen, of een combinatie van die twee. Dit punt over de kostendekkende premies, dat in een voetnoot van het akkoord staat, heeft dus grote gevolgen.

AVV is van mening dat dit alleen acceptabel is als er tegelijk wordt overgestapt op persoonlijke potjes en het delen van de belangrijkste risico's. Dan maakt de ‘premiedekkingsgraad’ niet zoveel uit, je spreekt dan gewoon af hoeveel premie je in wilt leggen, je zorgt dat er prudent belegd wordt en je pensioen is dan het resultaat van de beleggingen. Uiteraard moet je wel gaandeweg je werkzame leven een indicatie hebben van de te verwachten hoogte, en bij voorkeur een indicatie die meer duidelijkheid geeft naarmate je dichter bij je pensioen komt.

Maar als in een bepaalde sector de pensioenregeling niet wordt gemoderniseerd, blijf je als werknemer mogelijk zitten met een hogere premie in combinatie met een lagere opbouw, terwijl het fondsbestuur nog steeds kan besluiten wie er solidair moet zijn met wie. Dat is in onze optiek de slechtste van twee werelden.

Weinig aandacht voor gezond blijven en blijven leren
Dan komen er nog wat kleine aanpassingen aan het stelsel, zoals de mogelijkheid om 10% van het pensioenkapitaal in een keer op te nemen. Een belangrijke vraag is natuurlijk: hoe halen we gezond ons pensioen? Die vraag wordt wel erg klassiek benaderd, vanuit de insteek ‘zo vroeg mogelijk kunnen stoppen’. Er had veel meer aandacht moeten zijn voor de hele arbeidscarrière, zoals het omscholen met mensen met zware beroepen, of bijvoorbeeld het terugbrengen van de fulltime werkweek naar 32 uur en inzetten op veel fulltimers. Of op persoonlijke pensioenpotjes met veel maatwerk, die het makkelijker maken met deeltijdpensioen te gaan. Nu blijft de nadruk heel erg liggen op fiscale faciliteiten voor vroegpensioen, zeker geen onbelangrijk aspect, maar te traditioneel.

Helaas kiezen kabinet en sociale partners ervoor om te wachten op lopende onderzoeken met maatregelen voor uitzendkrachten, terwijl de simpele oplossing is: pensioen benoemen als essentiële arbeidsvoorwaarde. Dan hebben uitzendkrachten volgens de Europese uitzendrichtlijn recht op hetzelfde pensioen als hun collega’s in dienst bij de inlener. Uitzendkrachten moeten nu maar afwachten wat eruit die onderzoeken komt.

Verplichtstelling
Een technisch maar heel belangrijk punt is de verplichtstelling. Het is van groot belang dat alle werkgevers in een bepaalde sector aan dezelfde pensioenregeling meedoen om te voorkomen dat ze gaan concurreren op arbeidsvoorwaarden. De huidige verplichtstelling regelt echter veel meer dan alleen een verplichtstelling aan een pensioenregeling, namelijk verplichtstelling aan de uitvoeringsorganisatie. Die wetgeving is in strijd met Europese mededingingsregels, en zal dus gewijzigd moeten worden. Minister Koolmees wil hierover in gesprek met de Europese Commissie.

AVV heeft overigens de oplossing al klaar liggen: verplichtstelling aan de pensioenregeling kan eenvoudig geregeld worden. Hoe dan ook, dit belangrijke aspect van ons pensioenstelsel zal op de een of andere manier gehandhaafd blijven.

Invaren
Een tweede technisch onderdeel is het zogeheten invaren van de oude rechten in de nieuwe regeling. Met invaren wordt bedoeld dat de pensioenaanspraken die deelnemers in het huidige systeem hebben opgebouwd worden overgezet naar het nieuwe systeem (en dus onder de nieuwe regelgeving gaan vallen). Het kabinet wil dat graag faciliteren; logisch want dan heb je te maken met maar één set regels. AVV is van mening dat bij een overstap naar een moderne regeling met individuele potjes wel degelijk nuttig kan zijn om in te varen. Echter, in een sector waar de regeling nog complexer wordt is het zeker niet bij voorbaat gunstig om in te varen.

Devils en details in een stuurgroep
Een tegenvaller is ook dat vrijwel alle details nog uitgewerkt moeten worden in een stuurgroep. Dat is na negen jaar onderhandelen wel erg mager. Het Centraal Planbureau toont ondertussen aan dat de precieze uitwerking en invulling nog heel veel invloed op het resultaat kan hebben. AVV gaat zich dan ook hard maken om toegelaten te worden tot deze stuurgroep.

Conclusie
Het pensioenakkoord heeft vier goede componenten:
- Tragere stijging AOW-leeftijd
- Introductie van een verplichte en betaalbare verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen,
- Afschaffen doorsneesystematiek
- De mogelijkheid om een moderne pensioenregeling aan een hele sector op te leggen.

Het pensioenakkoord heeft twee slechte componenten:
- De mogelijkheid van een complexe SER-variant
- Veel onduidelijkheid over een aantal cruciale aspecten, die voor generaties tussen 35 en 55 slecht uit kunnen pakken.

Alles overziend, is AVV van mening dat voorlopig meer positieve elementen in het akkoord zitten dan negatieve. Het eindoordeel zal afhangen van de uitwerking in wetgeving en de praktijk.